Rode papaver

3.50 van 5 gebaseerd op 2 waarderingen
(7 klantbeoordelingen)

Rode papaver is gebaseerd op een waargebeurd verhaal over de moed van twee verpleegsters in de Eerste Wereldoorlog.

Dit boek verschijnt in Maart 2017

Categorie: Product ID: 756

Achtergrondinformatie

Voor het schrijven Rode Papaver heb ik gebruik gemaakt van de dagboeken van Mary Borden en Ellen la Motte. Verder zijn een aantal scénes uit mijn roman losjes gebaseerd op gebeurtenissen uit het leven van twee andere onverschrokken frontverpleegsters: Mairi Chisholm en Elsie Knocker.

Mary Borden

mary_borden
Mary Borden was een Amerikaans-Brits schrijfster en oorlogsvrijwilligster tijdens beide wereldoorlogen. Zij wordt beschouwd als een pionier in het oprichten van veldhospitalen in oorlogsbied. Zij gebruikte in de Eerste Wereldoorlog haar eigen geld en dat van donaties om een veldhospitaal op te zetten achter het front, eerst bij Ieper, later bij de Somme. Daar begon ze te schrijven over de verschrikkingen van de oorlog. Erwin Mortier vertaalde haar controversiële roman The forbidden zone in 2011 in het Nederlands: Verboden gebied.

Ellen la Motte

ellen-la-motte

Ellen la Motte was een Amerikaanse verpleegster die in 1915 naar Europa kwam om vrijwillig achter de linies te werken. Over de ellende van de soldaten en de dood en het verderf dat ze iedere dag om zich heen zag, schreef ze The backwash of war, een boek dat meteen na publicatie verboden werd in Amerika. Erwin Mortier vertaalde deze korte, wrange en cynische schetsen in het Nederlands: Het kielzog van de oorlog.

Elsie Knocker en Mairi Chisholm

elsie-mairi-staand-zw

Elsie Knocker en Mairi Chisholm hoorden allebei bij Munro’s Flying Ambulance Corps, een door het Belgische Rode Kruis erkende hulpverleningsinstantie. Beiden waren zij fanatieke amateur-motorrijders, meestal gekleed in een geelleren jas, kniebroek en beenwindsels of lange leren laarzen. Journalist Philip Gibbs ontmoette deze twee vrouwen aan het begin van de IJzerslag en hij schreef over de vrouwen (Helen Gleason, Dorothie Fieldien, Mairi Chisholm en Elsie Knocker) in Munro’s korps: ‘Deze vrouwen zagen er eerder uit of ze flauw zouden vallen bij het zien van bloed en in katzwijm zouden gaan bij de eerste de beste granaatontploffing. Niets was minder waar. Later dacht ik met opperste bewondering terug aan de geesteskracht van deze jonge vrouwen die niet alleen weinig hinder leken te ondervinden van de beschietingen, en die, met meer stalen zenuwen dan de meeste mannen, oorlogsgewonden de eerste zorgen toedienden en zonder verpinken het ondraaglijke lijden van gruwelijk verminkten verzachtten.’
Mairi en Elsie deden hun werk in Pervijze, een stadje dat vooral ’s nachts onophoudelijk onder Duits vuur lag. Daar had een legerarts een van de nog betrekkelijk intacte woningen omgebouwd tot noodhospitaal. Het huis lag aan de rand van het dorp, net achter het station en de loopgraven, maar ook dicht bij de Duitse kanonnen. Een ideale locatie om de gewonden uit die sector meteen de eerste verzorging toe te dienen.
In deze noodhulppost was het werk zwaar. Maandenlang moesten ze in een verder verlaten dorp opereren, in de ijzig koude winter van 1914, met onophoudelijk op de achtergrond het geluid van mitrailleurs en projectielen die her en der in het dorp insloegen. Al snel waren de twee de laatste vrouwen in het dorp. Zij waren in die zware wintermaanden voor veel mannen een stimulans om vol te houden. Vrouwen die erin slaagden om samen een volledig bepakte soldaat op een draagberrie te leggen, de berrie daarna tot heuphoogte te tillen en daarna gelijklopend tussen granaattrechters en door de modder naar hun zware ambulance te tillen, dwongen bewondering af. Mairi was pas achttien, een jong blond meisje tussen honderden mannen die nauwelijks ouder waren. Zij en Elsie kregen honderden huwelijksaanzoeken.

Op 17 maart 1918, na drie en een half jaar Pervijze, kwam voor Elsie en Mairi een einde aan hun werk. Een stikgasgranaat viel precies tussen de verbandpost en een betonnen schuilplaats waar ze beschutting hadden gezocht. Ze waren te laat om hun gasmasker op te zetten. Elsie werd met ernstige longbeschadiging vervoerd naar een hospitaal in Londen, Mairi ging nog even terug naar Pervijze, maar moest ook opgeven toen een maand later een nieuwe gasaanval haar verraste toen ze aan het telefoneren was.
Voor beiden was de Grote Oorlog aan het front in Vlaanderen voorbij.

Mairi Chisholm

mairi

Mairi was nog maar zeventien jaar toen ze, zonder verpleegsterservaring, tegen haar moeders wil in, richting Londen reed op haar motorfiets om zich aan te melden als oorlogsvrijwilliger. Het enige dat ze meenam was tien pond spaargeld en schoon ondergoed in een grote zakdoek. In Fordingbridge ontmoette ze Elsie Knocker, een verpleegster en vroedvrouw. Samen meldden ze zich aan voor Munro’s Flying Ambulance Corps. Mairi verkocht haar motor om haar uitrusting te betalen. Philip Gibbs over haar: ‘Een meisje in kaki broek, met een hand losjes in haar jaszak, en met de gloed van een sigaret die haar wang en haren even oplichtten’. Mairi was ijzersterk, ze kon ongelooflijk hard werken, was goed in organiseren, ze had stalen zenuwen en ze kon slapen wanneer ze maar wilde. In België bestuurde ze grote en moeilijk wendbare ambulances. Zij en Elsie bezaten als enige vrouwen in Vlaanderen een rode laissez-passer, waarmee ze tot aan het front konden komen om hulp te bieden. Mairi herkende al snel de symptomen van een posttraumatische stresservaring, die destijds shellshock werd genoemd, en ze nam de slachtoffers -als een van de weinigen- serieus. Andere verpleegsters noemden de shellshockslachtoffers toch snel minachtend ‘les fous’.

Elsie Knocker

elsie

Elsie (Elizabeth) Knocker was een wonderlijke vrouw. Na een bijzonder moeilijke jeugd en een moeizaam huwelijk dat uitliep in een scheiding, nam ze elke baan aan die ze kon krijgen. Nergens bleef ze lang. Dat lag mede aan haar karakter: niet iedereen kon haar daadkracht en vrijmoedigheid waarderen, en ook kon ze erg bot en scherp zijn. Ze was een motorfanaat en nam haar motor met zijspan, een Chater Lea, mee naar Pervijze. Ze kon geweldig paardrijden, repareerde kapotte motors en ambulances, en haalde zelfs haar vliegbrevet. Ze stond erom bekend dat ze weinig geduld had met in haar ogen ‘knoeiers en lijntrekkers’ en daardoor had ze de nodige vijanden.

 

Als de man van Anna naar het front gaat om vrijwillig aan de Grote Oorlog deel te nemen, reist ze hem achterna om hem op te zoeken. In korte tijd raakt ze zelf betrokken bij de oorlog: ze komt als verpleegster in een van de fronthospitalen terecht, waar ze elke dag geconfronteerd wordt met lijden en verwoesting. Terwijl ze haar uiterste best doet om te helpen waar ze kan, blijft ze zoeken naar haar echtgenoot, temidden van de puinhopen aan het front. Maar niets kan haar voorbereiden op wat er werkelijk met hem is gebeurd.

Wat moet Anna met haar leven als alle zekerheden haar ontnomen worden? Hoe kan ze hoop houden als ze alles verliest en er niets meer is wat het lijkt?

Rode papaver is gebaseerd op een waargebeurd verhaal over de moed van twee verpleegsters in de Eerste Wereldoorlog.

7 beoordelingen voor Rode papaver

  1. Recensie ND:
    Elkaar zonder woorden begrijpen
    Dat zwijgen veelzeggender is dan spreken, blijkt op meerdere momenten in Rode papaver. |
    24 maart 2017, 03:00
    Mieke Wilcke
    In haar nieuwste roman Rode papaver maakt Els Florijn duidelijk hoe belangrijk het is om ‘gezien’ te worden. Dat geldt niet alleen voor hoofdpersoon Anna, die niet kan praten, maar ook voor de oorlogsslachtoffers die zij in het hospitaal verpleegt.
    Els Florijn (1982), die debuteerde met de roman Laatste nacht (2003), heeft opnieuw een historische oorlogsroman geschreven. Veel ¬succes had ze met Het meisje dat verdween (2010). Een roman over het waargebeurde verhaal van Elly Frank, die als vierjarig meisje in 1942 naar Auschwitz werd gedeporteerd. Rode papaver is gebaseerd op dagboeken van van twee frontverpleegsters in de Eerste Wereldoorlog.
    We ervaren de gebeurtenissen in Rode papaver door de ogen en via de gedachten en herinneringen van de 34-jarige Anna. De roman begint op het moment dat Anna midden in de Eerste Wereldoorlog haar boerderij verlaat om in België haar man Arthur te zoeken. Op een station in België ontmoet ze een verpleegster op een motorfiets die haar wil helpen onder voorwaarde dat ze in het hospitaal komt werken. Ze leert van deze Mairi de gewonden verzorgen die in groten getale binnenkomen. Mairi weet te regelen dat ze samen met Anna naar het front kan gaan om Arthur te zoeken.
    oordeel
    De roman is zorgvuldig opgebouwd. Heden en verleden wisselen elkaar steeds af, wat voor een bepaalde spanning zorgt. In de verhaallijn die in het verleden speelt, komen we meer te weten over de achtergrond van Anna. Als kind is ze op een gegeven moment opgehouden met praten. De angst en eenzaamheid als gevolg hiervan worden bijna ‘voelbaar’ gemaakt. Het liefst wil Anna zich onzichtbaar maken. Opmerkelijk is dat ze wel kan zingen en af en toe ook tegen God kan praten. Maar over het algemeen zitten haar woorden ‘opgesloten, verstopt, verzegeld achter haar lippen’. Als lezer voel je aan dat Anna als kind onveiligheid heeft ervaren, hoewel dat nergens expliciet wordt gemaakt. Mooi wordt beschreven hoe ze rust en veiligheid vindt bij de koeien op de boerderij, die ze op haar beurt, bijvoorbeeld bij het kalven, door te neuriën kalmeert.
    De buitenwereld oordeelt hard over Anna. Ook de kerk. ‘De gelovigen zijn als de kerkbanken: hard, ongemakkelijk en niet lang te verdragen.’ Allerlei verhalen doen over haar de ronde. Daarnaast heeft Anna last van het onbegrip van haar vader, die vindt dat ze zich aanstelt en harder aangepakt moet worden. Haar moeder, die wel compassie voor haar heeft, sterft op jonge leeftijd, waardoor de eenzaamheid van Anna nog groter wordt. Ze helpt haar vader op de boerderij, maar er is nauwelijks sprake van contact tussen hen.
    Florijn weet de spanning tussen Anna en haar vader raak onder woorden te brengen. Het is niet verwonderlijk dat Anna geen verdriet voelt, als haar vader onverwacht sterft. Toch voelt ze zich door zijn sterven nog eenzamer. Ze durft bijna niet alleen naar de markt. Het grijpt je naar de keel als je leest hoe mensen haar bejegenen, haar vreemd blijven vinden en denken dat ze de duivel heeft ontmoet omdat ze niet kan praten. Met behulp van een opschrijfboekje en een potlood probeert ze de begrafenis te regelen.
    Geleidelijk wordt ook duidelijk wie Arthur is. Als zoon van een Vlaamse boer komt hij haar na de begrafenis opzoeken. Hij wil met haar trouwen en het bedrijf overnemen. Merkwaardig genoeg mag ze haar eigen leven houden. Ze hoeft hem alleen maar te verdragen. Maar het raakt haar dat hij tegen haar praat alsof ze normaal is en dat hij zich niets aantrekt van de verhalen over haar. Invoelbaar wordt de groeiende band tussen hen beschreven. Tot haar verwondering begint ze hem aardig te vinden en vult hij voortdurend haar gedachten. En al moet ze wennen aan de vele ruimte die hij inneemt, uiteindelijk stemt ze in met een huwelijk zonder verdere verplichtingen.
    De oorlogservaringen van Arthur spelen een belangrijke rol in hun relatie. Aanvankelijk wil Anna niet luisteren naar zijn verhalen. Maar als Arthur met verlof van het front thuiskomt, lukt het hem niet meer te praten over zijn oorlogservaringen. Wel heeft hij angstdromen waarin hij de oorlog herbeleeft. Ontroerend hoe ze elkaar zonder woorden begrijpen. ‘Ze raken elkaar meer in hun zwijgen dan wanneer ze tegen elkaar zouden praten.’ Anna ziet de angst in zijn ogen en brengt hem in zijn wanhoop tot rust door voor hem te zingen en hem nu ook fysiek te troosten.
    hartverscheurend
    De taferelen in het hospitaal waar Anna in haar zoektocht naar Arthur terechtkomt zijn hartverscheurend: de stank, de schreeuwende en vloekende gewonde soldaten, hun doodsstrijd. Het erbarmen dat Anna voor hen voelt, wordt overtuigend beschreven. Florijn geeft in haar roman de gewonden een gezicht. Zoals de blinde jongeman die Hollands blijkt te spreken en met wie Anna communiceert door met haar vinger op de rug van zijn hand te schrijven. En het Vlaamse jongetje, dat door een granaat verwond is en volgens de chirurg niet thuishoort in het hospitaal. Vooral tijdens de nachtdienst kijkt Anna de dood echt in de ogen. ‘Ik wil niet dat ze onder mijn ogen vandaan gestolen worden, en daarom bekijk ik ieder gezicht om de dood te betrappen, te bevechten.’ Wanneer ‘de grote aanval’ voorbij is, gaat ze met Mairi op de motorfiets naar het front op zoek naar Arthur. Ze bereiken Ieper, waar de soldaten ‘vielen als vliegen’. Daar ontdekt ze wat er met Arthur is gebeurd. Groot is de tegenstelling tussen de natuur waar de rode papavers bloeien en de schrijnende werkelijkheid in het hospitaal en het oorlogsfront in Ieper, tussen de bloeiende zomer en het door de oorlog verscheurde en geschonden land.
    Mairi blijft in de roman een mysterieuze vrouw, die mensen en dingen doorziet. Haar stuursheid is onverklaarbaar. Je krijgt de indruk dat haar leven zich afspeelt in een andere dimensie. Ze lijkt met haar gaven alleen in een oorlog te kunnen functioneren, door zich daar nuttig te maken. Toch leert Anna geleidelijk ook haar kwetsbare kant kennen en leert ze haar te vertrouwen. Net als bij Arthur is hun zwijgen veelzeggender dan spreken. Mairi, die in Anna gelooft en haar ook echt nodig heeft, helpt haar om zich ondanks de ellende thuis te voelen in het hospitaal waar Anna niet belachelijk wordt gemaakt. De tegenstelling tussen de vastberaden, zelfverzekerde, militante Mairi en de bescheiden Anna komt goed uit de verf. Al kan Anna op onverwachte momenten fel reageren en haar woede eruit smijten. Zoals haar razernij wanneer Arthur voordat hij naar het front vertrekt, een vriend en zijn vrouw mee naar huis neemt. Ze bouwen een feestje terwijl zij op bed ligt. Ze jaagt hen het huis uit en slaat daarna met kracht de drankflessen stuk.
    Anna ervaart over het algemeen veel steun aan haar geloof. Haar boosheid op God als aan haar geluk met Arthur zo snel een einde komt, komt zeer geloofwaardig over. Over het algemeen bevat Rode papaver mooie beelden, scherpe observaties en zinnen die blijven haken. Soms wordt er te veel ingevuld, zoals dat herinneringen pijnlijk zijn, terwijl dat voor de lezer allang duidelijk is.
    Els Florijn laat in haar roman zien hoe belangrijk het is om te blijven hopen, ook als je te maken hebt met veel verlieservaringen. De thema’s eenzaamheid, afwijzing, veiligheid, hoop en overgave zijn op een subtiele manier met elkaar verweven.

  2. Recensie RD:
    Els Florijn (1982) heeft een nieuwe roman geschreven en dat is gaaf nieuws. Haar voorgaande boek, ”Het meisje dat verdween”, is goed ontvangen. Opnieuw heeft ze voor het genre van een historische oorlogsroman gekozen.
    Haar roman is gebaseerd op het leven van verschillende frontverpleegkundigen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Zo werkte Mary Borden, de dochter van een Amerikaanse miljonair, in de Eerste Wereldoorlog in België en richtte particuliere veldhospitalen op. Afschuwelijk verminkte en door pijn verteerde soldaten werden er binnengebracht, vers van het slagveld.
    Een andere vrouw, Ellen La Motte, werkte als verpleegster in een van Bordens hospitalen. Bijzonder detail is dat beide vrouwen hun belevenissen in dagboekvorm publiceerden en dat beide dagboeken na publicatie verboden werden omdat de teksten als demoraliserend gezien werden.
    Florijn noemt meer historische gegevens waarop haar roman gebaseerd is. Ze boeit me daarmee enorm. Als mensen uit hun comfortzone stappen en zich over totaal onbekenden ontfermen, kán dat niet om de eer te doen zijn. In mijn ogen zijn het heldinnen, die het zeker verdienen om geboekstaafd te worden.
    Briefjes
    In ”Rode papaver” zijn Anna en Mairi als frontverpleegkundigen de hoofdpersonen. Anna heeft als kind besloten om niet meer te spreken. De reden wordt niet helemaal duidelijk, er is iets met „het meisje van dertien” waaraan ze niet herinnerd wil worden. Ze communiceert door middel van briefjes. Alleen haar moeder erkent haar angst en eenzaamheid. Als die echter wegvalt, moet ze zien te overleven met haar harde vader, met zijn „gore, kapotgewerkte” handen.
    Na zijn overlijden is Anna 34 jaar oud, alleen, terwijl ze in haar woonplaats met de nek wordt aangekeken. Totdat Arthur, een jongeman uit het dorp, haar benadert en een huwelijksvoorstel doet. Het lijkt hem vooral te doen om de boerderij. Ze schrijft hem een briefje met het antwoord nee.
    Toch blijft hij komen en met haar praten alsof ze gewoon is, en als ze ziet dat hij zich kwetsbaar op kan stellen, stemt ze in met zijn voorstel. Tot haar grote ontsteltenis neemt hij veel ruimte in haar leven in. Er ontstaat liefde waar ze aanvankelijk geen weg mee weet.
    Op een dag vindt er een geweldige confrontatie plaats. Arthur heeft vrienden uitgenodigd en door de drank misdragen ze zich. Voor het eerst schreeuwt Anna en jaagt ze de mensen het huis uit. Arthur trekt dan naar het front. Hij en Anna schrijven elkaar brieven en komen toch weer dichter bij elkaar.
    Als Arthur met verlof thuis is, merkt ze zijn onrust op als het donker wordt. Ze troost hem en zoekt toenadering en geeft hem alles wat ze kan geven. Als hij naar het front vertrekt, ontdekt Anna dat ze zwanger is. Als de schaduw in haar leven terugkeert, reist ze Arthur achterna.
    Waardering
    Op een station in België wordt ze opgepikt door de motorrijdende Maira, een hoofdverpleegster aan het front met een mannelijke uitstraling. In de naar etter, bloed en chloroform ruikende omgeving ontmoet ze voor het eerst in haar leven waardering. Na hectische taferelen aan het front start op een dag de zoektocht naar Arthur.
    Maira en Anna vinden zijn legerplaats, maar dan horen ze het onvoorstelbare. Midden in die duisternis droomt Anna de droom van Ezechiël en vat ze moed. Maira laat haar niet vertrekken, ze hebben hun plek gevonden.
    Puzzelstukjes
    Florijn heeft een mooi boek geschreven. Het laat je niet los totdat je het uit hebt. De afschuwelijkheid van de Grote Oorlog komt levengroot en levensecht op je af. „Het bloed zeikte van de berrie”, schrijft de auteur, en dat zie je als lezer voor je. Die wetenschap doet je als lezer wat.
    Het verhaal speelt zich afwisselend in het verleden en het heden af. Een mooie verhaaltechniek. Langzamerhand krijgt de lezer hierdoor het overzicht en vallen de puzzelstukjes in elkaar.
    De auteur kan absoluut schrijven, ze produceert zinnen die in een lijstje aan de muur niet misstaan. Zoals: „Ik denk dat mijn vader God meer looft als hij jonge, kwetsbare plantjes voorzichtig poot.” Of: „De gedachte aan doelloosheid overvalt me vaak als mijn denken nog niet achter het hek van hard werken gezet is.” Woorden roepen een wereld op.
    Soms vind ik het taalgebruik of de beeldspraak te 21e-eeuws. „Gelovigen zijn als kerkbanken, hard, ongemakkelijk.” De uitdrukking is op zichzelf sterk, maar past niet bij Anna rond 1916. Of later: „De dood heeft niet het laatste woord.” Die zin past beter in een gedicht van Huub Oosterhuis. En: „Ik heb het wonderlijke gevoel dat we samen heel worden.” Dat is 21e-eeuws therapeutisch getinte taal. Bij zulke fragmenten had ik het idee dat Florijn zich te veel inleefde in Anna en zelf aan het woord was.
    Ten slotte de schrijfstijl. Het leek of Anna zich af en toe vermengde met andere romanfiguren, zoals Elsjen uit ”Achtendertig nachten” van Janne IJmker. Ik denk dat de taal en stijl hierin ook de hand hebben. Dezelfde staccato-achtige, geforceerde ”show don’t tell”-stijl maakt iets bij me los, zodat ik verlang naar van lengte en emotie overvloeiende zinnen. Het stramien moet niet te eng worden. Soms mag het breedsprakig en hoeft niet elke gedachte in de kiem gesmoord te worden. De auteur heeft er kracht genoeg voor om origineel en eigenaardig te blijven. Dat heeft ze weer laten zien.

  3. 4 van 5

    Beste Els,

    De Rode papaver…een bijzonder ontroerend boek om in één adem uit te lezen.
    Verdiept in het boek, waan je helemaal in de situatie.
    En met zo’n open eind van het boek, komt er vast nog een vervolg hierop.

    Vriendelijke groet, Fam G-A Prosman

  4. 3 van 5

    Boek al wel gekocht, maar nog niet aan het lezen toegekomen. Door deze recensies krijg ik er al wel helemaal zin in!

    Wat ik een groot minpunt vind: de onoriginele cover! Deze foto is al gebruikt bij het boek ‘Rozen van het Niemandsland’ van Lynn Macdonald, een erg boek over verpleegsters in WO1. Er zijn genoeg andere foto’s van WO1 verpleegsters, waarom is nou juist voor deze foto gekozen?

Een beoordeling toevoegen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Recensie ND:
Elkaar zonder woorden begrijpen
Dat zwijgen veelzeggender is dan spreken, blijkt op meerdere momenten in Rode papaver. |
24 maart 2017, 03:00
Mieke Wilcke
In haar nieuwste roman Rode papaver maakt Els Florijn duidelijk hoe belangrijk het is om ‘gezien’ te worden. Dat geldt niet alleen voor hoofdpersoon Anna, die niet kan praten, maar ook voor de oorlogsslachtoffers die zij in het hospitaal verpleegt.
Els Florijn (1982), die debuteerde met de roman Laatste nacht (2003), heeft opnieuw een historische oorlogsroman geschreven. Veel ¬succes had ze met Het meisje dat verdween (2010). Een roman over het waargebeurde verhaal van Elly Frank, die als vierjarig meisje in 1942 naar Auschwitz werd gedeporteerd. Rode papaver is gebaseerd op dagboeken van van twee frontverpleegsters in de Eerste Wereldoorlog.
We ervaren de gebeurtenissen in Rode papaver door de ogen en via de gedachten en herinneringen van de 34-jarige Anna. De roman begint op het moment dat Anna midden in de Eerste Wereldoorlog haar boerderij verlaat om in België haar man Arthur te zoeken. Op een station in België ontmoet ze een verpleegster op een motorfiets die haar wil helpen onder voorwaarde dat ze in het hospitaal komt werken. Ze leert van deze Mairi de gewonden verzorgen die in groten getale binnenkomen. Mairi weet te regelen dat ze samen met Anna naar het front kan gaan om Arthur te zoeken.
oordeel
De roman is zorgvuldig opgebouwd. Heden en verleden wisselen elkaar steeds af, wat voor een bepaalde spanning zorgt. In de verhaallijn die in het verleden speelt, komen we meer te weten over de achtergrond van Anna. Als kind is ze op een gegeven moment opgehouden met praten. De angst en eenzaamheid als gevolg hiervan worden bijna ‘voelbaar’ gemaakt. Het liefst wil Anna zich onzichtbaar maken. Opmerkelijk is dat ze wel kan zingen en af en toe ook tegen God kan praten. Maar over het algemeen zitten haar woorden ‘opgesloten, verstopt, verzegeld achter haar lippen’. Als lezer voel je aan dat Anna als kind onveiligheid heeft ervaren, hoewel dat nergens expliciet wordt gemaakt. Mooi wordt beschreven hoe ze rust en veiligheid vindt bij de koeien op de boerderij, die ze op haar beurt, bijvoorbeeld bij het kalven, door te neuriën kalmeert.
De buitenwereld oordeelt hard over Anna. Ook de kerk. ‘De gelovigen zijn als de kerkbanken: hard, ongemakkelijk en niet lang te verdragen.’ Allerlei verhalen doen over haar de ronde. Daarnaast heeft Anna last van het onbegrip van haar vader, die vindt dat ze zich aanstelt en harder aangepakt moet worden. Haar moeder, die wel compassie voor haar heeft, sterft op jonge leeftijd, waardoor de eenzaamheid van Anna nog groter wordt. Ze helpt haar vader op de boerderij, maar er is nauwelijks sprake van contact tussen hen.
Florijn weet de spanning tussen Anna en haar vader raak onder woorden te brengen. Het is niet verwonderlijk dat Anna geen verdriet voelt, als haar vader onverwacht sterft. Toch voelt ze zich door zijn sterven nog eenzamer. Ze durft bijna niet alleen naar de markt. Het grijpt je naar de keel als je leest hoe mensen haar bejegenen, haar vreemd blijven vinden en denken dat ze de duivel heeft ontmoet omdat ze niet kan praten. Met behulp van een opschrijfboekje en een potlood probeert ze de begrafenis te regelen.
Geleidelijk wordt ook duidelijk wie Arthur is. Als zoon van een Vlaamse boer komt hij haar na de begrafenis opzoeken. Hij wil met haar trouwen en het bedrijf overnemen. Merkwaardig genoeg mag ze haar eigen leven houden. Ze hoeft hem alleen maar te verdragen. Maar het raakt haar dat hij tegen haar praat alsof ze normaal is en dat hij zich niets aantrekt van de verhalen over haar. Invoelbaar wordt de groeiende band tussen hen beschreven. Tot haar verwondering begint ze hem aardig te vinden en vult hij voortdurend haar gedachten. En al moet ze wennen aan de vele ruimte die hij inneemt, uiteindelijk stemt ze in met een huwelijk zonder verdere verplichtingen.
De oorlogservaringen van Arthur spelen een belangrijke rol in hun relatie. Aanvankelijk wil Anna niet luisteren naar zijn verhalen. Maar als Arthur met verlof van het front thuiskomt, lukt het hem niet meer te praten over zijn oorlogservaringen. Wel heeft hij angstdromen waarin hij de oorlog herbeleeft. Ontroerend hoe ze elkaar zonder woorden begrijpen. ‘Ze raken elkaar meer in hun zwijgen dan wanneer ze tegen elkaar zouden praten.’ Anna ziet de angst in zijn ogen en brengt hem in zijn wanhoop tot rust door voor hem te zingen en hem nu ook fysiek te troosten.
hartverscheurend
De taferelen in het hospitaal waar Anna in haar zoektocht naar Arthur terechtkomt zijn hartverscheurend: de stank, de schreeuwende en vloekende gewonde soldaten, hun doodsstrijd. Het erbarmen dat Anna voor hen voelt, wordt overtuigend beschreven. Florijn geeft in haar roman de gewonden een gezicht. Zoals de blinde jongeman die Hollands blijkt te spreken en met wie Anna communiceert door met haar vinger op de rug van zijn hand te schrijven. En het Vlaamse jongetje, dat door een granaat verwond is en volgens de chirurg niet thuishoort in het hospitaal. Vooral tijdens de nachtdienst kijkt Anna de dood echt in de ogen. ‘Ik wil niet dat ze onder mijn ogen vandaan gestolen worden, en daarom bekijk ik ieder gezicht om de dood te betrappen, te bevechten.’ Wanneer ‘de grote aanval’ voorbij is, gaat ze met Mairi op de motorfiets naar het front op zoek naar Arthur. Ze bereiken Ieper, waar de soldaten ‘vielen als vliegen’. Daar ontdekt ze wat er met Arthur is gebeurd. Groot is de tegenstelling tussen de natuur waar de rode papavers bloeien en de schrijnende werkelijkheid in het hospitaal en het oorlogsfront in Ieper, tussen de bloeiende zomer en het door de oorlog verscheurde en geschonden land.
Mairi blijft in de roman een mysterieuze vrouw, die mensen en dingen doorziet. Haar stuursheid is onverklaarbaar. Je krijgt de indruk dat haar leven zich afspeelt in een andere dimensie. Ze lijkt met haar gaven alleen in een oorlog te kunnen functioneren, door zich daar nuttig te maken. Toch leert Anna geleidelijk ook haar kwetsbare kant kennen en leert ze haar te vertrouwen. Net als bij Arthur is hun zwijgen veelzeggender dan spreken. Mairi, die in Anna gelooft en haar ook echt nodig heeft, helpt haar om zich ondanks de ellende thuis te voelen in het hospitaal waar Anna niet belachelijk wordt gemaakt. De tegenstelling tussen de vastberaden, zelfverzekerde, militante Mairi en de bescheiden Anna komt goed uit de verf. Al kan Anna op onverwachte momenten fel reageren en haar woede eruit smijten. Zoals haar razernij wanneer Arthur voordat hij naar het front vertrekt, een vriend en zijn vrouw mee naar huis neemt. Ze bouwen een feestje terwijl zij op bed ligt. Ze jaagt hen het huis uit en slaat daarna met kracht de drankflessen stuk.
Anna ervaart over het algemeen veel steun aan haar geloof. Haar boosheid op God als aan haar geluk met Arthur zo snel een einde komt, komt zeer geloofwaardig over. Over het algemeen bevat Rode papaver mooie beelden, scherpe observaties en zinnen die blijven haken. Soms wordt er te veel ingevuld, zoals dat herinneringen pijnlijk zijn, terwijl dat voor de lezer allang duidelijk is.
Els Florijn laat in haar roman zien hoe belangrijk het is om te blijven hopen, ook als je te maken hebt met veel verlieservaringen. De thema’s eenzaamheid, afwijzing, veiligheid, hoop en overgave zijn op een subtiele manier met elkaar verweven.

Recensie RD:
Els Florijn (1982) heeft een nieuwe roman geschreven en dat is gaaf nieuws. Haar voorgaande boek, ”Het meisje dat verdween”, is goed ontvangen. Opnieuw heeft ze voor het genre van een historische oorlogsroman gekozen.
Haar roman is gebaseerd op het leven van verschillende frontverpleegkundigen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Zo werkte Mary Borden, de dochter van een Amerikaanse miljonair, in de Eerste Wereldoorlog in België en richtte particuliere veldhospitalen op. Afschuwelijk verminkte en door pijn verteerde soldaten werden er binnengebracht, vers van het slagveld.
Een andere vrouw, Ellen La Motte, werkte als verpleegster in een van Bordens hospitalen. Bijzonder detail is dat beide vrouwen hun belevenissen in dagboekvorm publiceerden en dat beide dagboeken na publicatie verboden werden omdat de teksten als demoraliserend gezien werden.
Florijn noemt meer historische gegevens waarop haar roman gebaseerd is. Ze boeit me daarmee enorm. Als mensen uit hun comfortzone stappen en zich over totaal onbekenden ontfermen, kán dat niet om de eer te doen zijn. In mijn ogen zijn het heldinnen, die het zeker verdienen om geboekstaafd te worden.
Briefjes
In ”Rode papaver” zijn Anna en Mairi als frontverpleegkundigen de hoofdpersonen. Anna heeft als kind besloten om niet meer te spreken. De reden wordt niet helemaal duidelijk, er is iets met „het meisje van dertien” waaraan ze niet herinnerd wil worden. Ze communiceert door middel van briefjes. Alleen haar moeder erkent haar angst en eenzaamheid. Als die echter wegvalt, moet ze zien te overleven met haar harde vader, met zijn „gore, kapotgewerkte” handen.
Na zijn overlijden is Anna 34 jaar oud, alleen, terwijl ze in haar woonplaats met de nek wordt aangekeken. Totdat Arthur, een jongeman uit het dorp, haar benadert en een huwelijksvoorstel doet. Het lijkt hem vooral te doen om de boerderij. Ze schrijft hem een briefje met het antwoord nee.
Toch blijft hij komen en met haar praten alsof ze gewoon is, en als ze ziet dat hij zich kwetsbaar op kan stellen, stemt ze in met zijn voorstel. Tot haar grote ontsteltenis neemt hij veel ruimte in haar leven in. Er ontstaat liefde waar ze aanvankelijk geen weg mee weet.
Op een dag vindt er een geweldige confrontatie plaats. Arthur heeft vrienden uitgenodigd en door de drank misdragen ze zich. Voor het eerst schreeuwt Anna en jaagt ze de mensen het huis uit. Arthur trekt dan naar het front. Hij en Anna schrijven elkaar brieven en komen toch weer dichter bij elkaar.
Als Arthur met verlof thuis is, merkt ze zijn onrust op als het donker wordt. Ze troost hem en zoekt toenadering en geeft hem alles wat ze kan geven. Als hij naar het front vertrekt, ontdekt Anna dat ze zwanger is. Als de schaduw in haar leven terugkeert, reist ze Arthur achterna.
Waardering
Op een station in België wordt ze opgepikt door de motorrijdende Maira, een hoofdverpleegster aan het front met een mannelijke uitstraling. In de naar etter, bloed en chloroform ruikende omgeving ontmoet ze voor het eerst in haar leven waardering. Na hectische taferelen aan het front start op een dag de zoektocht naar Arthur.
Maira en Anna vinden zijn legerplaats, maar dan horen ze het onvoorstelbare. Midden in die duisternis droomt Anna de droom van Ezechiël en vat ze moed. Maira laat haar niet vertrekken, ze hebben hun plek gevonden.
Puzzelstukjes
Florijn heeft een mooi boek geschreven. Het laat je niet los totdat je het uit hebt. De afschuwelijkheid van de Grote Oorlog komt levengroot en levensecht op je af. „Het bloed zeikte van de berrie”, schrijft de auteur, en dat zie je als lezer voor je. Die wetenschap doet je als lezer wat.
Het verhaal speelt zich afwisselend in het verleden en het heden af. Een mooie verhaaltechniek. Langzamerhand krijgt de lezer hierdoor het overzicht en vallen de puzzelstukjes in elkaar.
De auteur kan absoluut schrijven, ze produceert zinnen die in een lijstje aan de muur niet misstaan. Zoals: „Ik denk dat mijn vader God meer looft als hij jonge, kwetsbare plantjes voorzichtig poot.” Of: „De gedachte aan doelloosheid overvalt me vaak als mijn denken nog niet achter het hek van hard werken gezet is.” Woorden roepen een wereld op.
Soms vind ik het taalgebruik of de beeldspraak te 21e-eeuws. „Gelovigen zijn als kerkbanken, hard, ongemakkelijk.” De uitdrukking is op zichzelf sterk, maar past niet bij Anna rond 1916. Of later: „De dood heeft niet het laatste woord.” Die zin past beter in een gedicht van Huub Oosterhuis. En: „Ik heb het wonderlijke gevoel dat we samen heel worden.” Dat is 21e-eeuws therapeutisch getinte taal. Bij zulke fragmenten had ik het idee dat Florijn zich te veel inleefde in Anna en zelf aan het woord was.
Ten slotte de schrijfstijl. Het leek of Anna zich af en toe vermengde met andere romanfiguren, zoals Elsjen uit ”Achtendertig nachten” van Janne IJmker. Ik denk dat de taal en stijl hierin ook de hand hebben. Dezelfde staccato-achtige, geforceerde ”show don’t tell”-stijl maakt iets bij me los, zodat ik verlang naar van lengte en emotie overvloeiende zinnen. Het stramien moet niet te eng worden. Soms mag het breedsprakig en hoeft niet elke gedachte in de kiem gesmoord te worden. De auteur heeft er kracht genoeg voor om origineel en eigenaardig te blijven. Dat heeft ze weer laten zien.

Recensie Visdief:

Recensie: Rode papaver, Els Florijn

Recensie Mustreads:

Recensie: Rode papaver, Els Florijn

Recensie CB:
https://www.christelijkeboeken.info/recensies/literatuur/2022-florijn-els-rode-papaver