Het meisje dat verdween

4.00 van 5 gebaseerd op 1 waardering
(1 klantbeoordeling)

Ditte Stein wordt geboren op de dag dat Nederland capituleert. Als haar ouders in 1943 bericht krijgen dat ze zich in kamp Vught moeten melden, besluiten ze onder te duiken.

Categorie: Product ID: 740

Elly Frank
Esther Jeanette Antoinette Frank (Elly) wordt op 19 december 1937 geboren. Haar ouders zijn Jacoba van Dijk en Hartog Salomon Frank. Elly’s geboorte is een verrassing: Jacoba en Hartog hebben de hoop al opgegeven ooit zelf kinderen te krijgen. Ze hebben wel een pleegdochter, Elisabeth Dasberg.

ellie-en-liesje

Liesje (Liesbeth Dasberg) en Elly Frank, Lienden, 1941. Deze foto is genomen vlak voordat de familie Frank onderdook. Het is een van de zeer weinige foto’s die er van Elly zijn.

Als Jacoba Frank achtendertig jaar is, wordt Elly geboren. Het meisje groeit op in Lienden, waar Hartog Frank een manufacturenwinkel heeft aan de Dorpsstraat.
Judith van de Berg, ook uit Lienden, werkt bij de familie Frank. Zij neemt een groot gedeelte van de zorg voor Elly over.
Het duurt niet lang voor de familie Frank de gevolgen van oorlog merkt. De burgemeester van Lienden, burgemeester Kamp, heeft op 19 augustus 1942 op verzoek van het Tielse arbeidsbureau de namen van de joden in zijn gemeente doorgegeven. Familie Frank krijgt de waarschuwing dat het naar een Duits werkkamp zal worden gestuurd. Ze horen dat het arbeidsbureau hen de volgende ochtend opdracht zal geven om zich in Tiel te melden.
Hartog Frank besluit om onmiddellijk onder te duiken.
Maar wat moeten ze met Elly? Ze is nog zo klein… Ze kunnen haar niet in een kleine ruimte opsluiten, ze zou het niet uithouden! Bovendien geeft de boer waar ze gaan onderduiken aan dat hij bang is dat Elly hen zal verraden.
Hartog en Jacoba Frank kunnen zich niet voorstellen dat de Duitsers dit kleine meisje niet met rust zouden laten. Ze besluiten, onder het voorwendsel dat ze in Tiel rugzakken moeten gaan kopen die ze nodig hebben voor hun reis naar Duitsland, Judith van de Berg op Elly te laten passen. Zij kan niet mee, de voetreis (hun fietsen zijn ingevorderd) zou voor haar te ver zijn.
Judith neemt het meisje mee naar haar huis. Meteen die nacht duiken Hartog en Jacoba en Liesbeth onder bij een boer in Kesteren.
Niet lang daarna moet Judith zich bij de burgemeester van Lienden, burgemeester Kamp melden. Die vertelt haar dat de ouders en aangenomen zus van Elly ondergedoken zijn. Grote schrik! Daar had ze niet op gerekend. Natuurlijk mag het kind bij haar blijven, verzekert de burgemeester haar, dat moet geen probleem zijn.
Maar helaas. Burgemeester Kamp is bang dat hij hier last mee krijgt. Hij besluit uit te zoeken of er een artikel is, dat op deze situatie van toepassing is.
Dat is er, artikel 3 uit een Duitse verordening: ‘Voor het blijvend of tijdelijk veranderen van woonplaats of gewone verblijfplaats door joden is een vergunning vereischt.’
De kleine Elly heeft dus een vergunning nodig! Hij besluit, ondanks protest van de gemeentesecretaris (‘Daar zult u het kind niet mee redden, burgemeester!’) en de commies ter secretarie, bij een Duitse instantie een vergunning aan vragen.
De burgemeester schrijft een brief die eindigt met ‘mir die Genehmigung zu verleihen um E.J.A. Frank bei der Familie Van den Berg verbleiben zu lassen.’
De reactie laat niet lang op zich wachten. De SD geeft na anderhalve week telefonisch door dat de kleine Elly Frank onmiddellijk, diezelfde dag nog, naar Den Haag moet worden gebracht.
De burgemeester aarzelt niet. Hij doet meteen wat hem wordt gezegd, ondanks dat met een beetje treuzelen of een waarschuwing vooraf Elly misschien nog ergens anders heengebracht had kunnen worden.
Hij gaat met een gemeenteveldwachter naar het huis van de familie Van de Berg. Daar speelt zich een drama af: Elly moet mee, ondanks smeekbeden van de familie. Judith van de Berg zegt er in de documentaire over: ‘Ze sloeg haar armpjes om me heen, maar ze moest weg. Er was geen pardon voor. Het was net of ze van me weggescheurd werd. O, dat heb ik altijd zo naar gevonden. Dat ze dat kind uit mijn armen haalden. Ik vond het verschrikkelijk.’
Elly wordt door de veldwachter naar Den Haag gebracht. Een dag later is ze al in Westerbork. Wat daar met haar gebeurd is, weten we niet, wel dat ze al heel snel, op 14 september 1942, op transport richting Auschwitz wordt gezet.
De reis duurt een paar dagen. Waarschijnlijk is ze onmiddellijk na aankomst, op 17 september 1942, vergast in een van de gaskamers van Auschwitz-Birkenau.
Burgemeester Kamp wordt na de oorlog kort geschorst en krijgt slechts een niet openbare berisping, ondanks het oordeel van een speciale adviescommissie: ‘Hij had als goed Nederlander moeten inzien, dat indien al ooit, hij zeker slechts in het geval van uiterste noodzaak de aandacht van de Duitschers op dit kindje had mogen vestigen. Deze noodzaak bestond hier niet. De geheele wijze van optreden ten aanzien van dit Jodenmeisje is dan ook naar het oordeel der Commissie ernstig laakbaar en onvergefelijk.’
Volgens het advies van deze commissie behoort burgemeester Kamp geschorst te worden. Het blijft echter bij een advies: de commissaris van de koningin in de provincie Gelderland beslist dat Kamp er met slchts een berisping zonder openbaarmaking van af komt; en een berisping is geen beletsel voor zijn terugkeer als burgemeester van Lienden en Maurik. Burgemeester Kamp wordt vlak voor de jaarwisseling 1945/1946 weer in zijn ambt hersteld. Kamp zegt later zelf in de eerste raadsvergadering die hij voorzit: ‘Als gevolg van de oorlogstoestand is er rond mij veel stof opgewaaid. Er is een storm gegaan over Europa, een orkaan over Nederland. Het gezicht op mij is daardoor vertroebeld. Ik heb in die tijd geen gelegenheid gehad mij duidelijk te doen zien. Ik erken, mijn houding was niet altijd de juiste. In mijn stakingstijd ben ik weer tot rust gekomen. Ik heb onder voordurende spanningen geleefd. Die zijn voorbij, de rust is in mij weergekeerd en gelukkig ben ik terug gekomen tot een evenwichtig mens.’
Maar Elly kwam nooit meer terug.

ellie-en-liesje-oud

Mw. Ikink-Dasberg en mw. Van Schaik-Van de Berg bij het beeldje ter nagedachtenis aan  Elly Frank dat 14 april 2010 bij de basisschool ‘De Sterappel’ in Lienden is onthuld. Voorheen heette deze school de ‘Burgemeester Kampschool’.

Hartog, Jacoba en Liesje Frank zitten ondertussen ondergedoken, in de veronderstelling dat Elly veilig bij Judith van de Berg is. Het is zelfs zo, dat een knecht van Hartog Frank, die iedere week in Kesteren kleding en andere benodigdheden komt brengen, de vijf en een halve maand dat ze bij de boer ondergedoken zitten, niet durft te vertellen wat er met Elly is gebeurd. Hij is bang dat ze in paniek raken en hun eigen veiligheid in gevaar brengen, en ongetwijfeld durft hij ook niet de brenger te zijn van zo´n slechte boodschap. Dus vertelt hij, ruim vijf maanden lang, op de vragen van Hartog en Jacoba Frank dat het goed gaat met Elly.

Aan het onderduiken bij de boer komt een abrupt einde als ze op 12 februari op straat worden gezet: de boer is bang geworden en verzint dat hij heeft gehoord dat ze verraden zijn.Ze worden aan de oever van de Nederrijn achter gelaten, zonder persoonsbewijzen, in de kou en met geen enkel idee waar ze naar toe moeten. Eerst gaan ze naar een klant van Hartog Frank in Aalst, maar deze blijkt al onderduikers te hebben. Dan besluiten ze naar Ochten te gaan, 6 kilometer verderop, waar een neef van Hartog, Sam Frank, woont. Wonder boven wonder wonen deze Joden, februari 1943, nog in hun eigen huis. Van deze Sam en Marianne Frank horen Hartog, Jacoba en Liesje dat Elly al maanden geleden opgepakt is. Het is natuurlijk waanzin om onder te duiken bij andere Joden, dus de tocht moet weer verder. Jacoba heeft vroeger in Brabant een katholieke school bezocht en oppert het plan om bij een pastorie aan te kloppen.

Daarvoor moeten ze over de Waal. Door het hoge water is de veerpont uit de vaart genomen, maar met een smoes lukt het ze toch om aan de overkant te komen, door de veerman in een roeiboot gebracht. De Duitsers patrouilleren boven aan de dijk, vlak bij Boven-Leeuwen; ze moeten zorgen dat ze daar tussendoor bij de pastorie komen. Koud, moe en doodsbang kloppen ze aan bij de pastorie in Boven-Leeuwen. Maar de pastoor durft het niet aan; hij stuurt de vluchtelingen door naar het klooster.

Maar ook moeder-overste durft het niet aan en stuurt ze door. De situatie is inmiddels hopeloos. Hartog en Jacoba besluiten dan maar naar Geffen te lopen, Jacoba’s geboorteplaats. De kans dat ze daar ooit veilig aankomen, is nihil. Onderweg besluiten ze bij nog een pastorie, die in Beneden-Leeuwen, aan te kloppen. Daar mogen ze tot hun grote vreugde blijven.

Beneden-Leeuwen werd bevrijd in september 1944, door middel van operatie Market Garden. Het duurde tot november voor familie Frank zich op straat durfde te laten zien.

pastoor-zPastoor Zijlmans

Uit het dagboek van Pastoor Zijlmans:

In die omstandigheden kwamen hier op Zaterdag 13 Februari 1943 des middags om half drie aan drie Joden (Hartog Frank, zijn echtgenote Jacoba van Dijk en hun pleegkind Elisabeth Dasberg). Deze laatste was 12 jaar oud. Zij woonden eigenlijk in Lienden (Betuwe). Zij vroegen om een paar dagen onderdak. Zij zouden Maandag weer verder zien te komen, want zij wilden trachtten in Geffen te komen, waar vandaan de vrouw geboortig was. Zij waren nu oververmoeid van hun voetreis vanuit Kesteren, waar zij eerst hadden ondergedoken gezeten bij een boer maar waar het hun te onveilig werd. Ik stemde toe en zeide, dat wij de volgende dag wel eens zouden overleggen, wat er verder moest gebeuren. Wat moesten wij doen? Hen doorsturen was even goed als hen de dood injagen. Er was nog niet één  procent kans, dat ze veilig in Geffen zouden aankomen. Onderdak trachten te vinden bij een van de parochianen? Ik kon er mijzelf beter aan wagen dan een parochiaan, die nog een huishouden had ook. Niemand in de parochie had zoveel schuilgelegenheid dan wij. Hen hier laten onderduiken was voor ons levensgevaarlijk. Werden ze ontdekt, dan was het concentratiekamp of doodschieten ons deel. Bovendien hadden wij nog de moeilijkheid met het eten. Alles was op de bon. Nu hadden wij bonnen voor 4 personen en er zouden er 7 van moeten eten, terwijl er voor 4 nog maar amper genoeg was. Zo wij een boer in vertrouwen konden nemen, was deze moeilijkheid wel opgelost, maar werd de eerste (van ontdekt te worden) groter. Wij besloten toen maar ze op te nemen tot de bevrijding en niemand er iets van te zeggen. Ter ere van het H. Huisgezin van Nazareth, dat op zijn vlucht naar Egypte ook overal moest aankloppen om een onderdak, zouden wij het er maar op wagen. O.L. Heer heeft ze bij ons aangestuurd en zal wel voor eten zorgen ook. Wij hebben er later nooit spijt van gehad. Niemand wist er iets van dat hier mensen verborgen zaten en toch, terwijl de boeren door de regeringsmaatregelen ten zeerste in het slachtverlof werden beperkt en zij zeer zuinig met hun varkensvlees moesten zijn, brachten de boeren en ook anderen ons in die tijd meer dan wij ooit in normale tijden hadden ontvangen. Velen, die nooit iets aan de pastorie hadden gebracht, kwamen toen met spek en koren aandragen.

Het probleem van het eten was opgelost. De rest zou ook wel in orde komen. O.L. Heer, zo dacht ik, doet geen half werk. Wij hadden hen dus medegedeeld, dat zij hier konden blijven, wat voor hen natuurlijk een hele opluchting was. Maar waar zouden wij ze laten?  Er kwamen altijd veel logé’s op de pastorie en niemand mocht er ooit iets van merken (alleen de kapelaan, de keukenmeid, de tweede meid, de tuinknecht en ik wisten er iets van. De tuinknecht heeft het zelfs aan zijn vrouw nooit verteld. De koster is later ook in vertrouwen genomen. Deze was een zoon van de tuinknecht). Wij hadden spoedig een oplossing gevonden. Des Maandags toog de kapelaan met de knecht aan het werk op het zoldertje boven de jongenskapel. Er werd daar een klein kamertje gemaakt van triplex en karton. Een kabel werd aangelegd voor electrische stroom vanuit de pastorie. Dan konden zij een electrisch kacheltje stoken tegen de koude en om nu en dan water of iets anders warm te maken voor thee enz. (Wij moesten stroom nemen van de pastorie, omdat de stroom was gerantsoeneerd. Voor de pastorie had ik stroom genoeg, omdat wij gewoon waren electrisch te koken en een electrische gijzer voor het bad te gebruiken. Nu kookten wij maar niet electrisch en gebruikten het bad wat minder en de zaak met de stroom was voor elkaar). Verder werden de ramen verduisterd, een oude kast, die er stond, werd veranderd in W.C. en het overige gedeelte van het zoldertje werd ingericht als slaapgelegenheid. Gordijnen van het toneel hadden wij in overvloed zoals ook een paar oude tapijten om de boel wat gezelliger te maken en tevens om het geluid wat te dempen. Het was er namelijk zeer gehorig en men mocht biet anders dan lispelend spreken en op de tenen lopen. Des avonds deden wij de kerk wat vroeg op slot. Dan konden zij naar beneden komen en wat rondlopen door de kerk om wat te bidden en zich te ontspannen. Des avonds om 8 of 9 uur kwamen ze gewoonlijk op de kamer van de kapelaan. Daar was het ‘t veiligst. Want mocht er ooit iets gebeuren dan konden ze over de meidenkamer heen toch nog wel gauw ongezien in de kerk komen. Ze bleven dan tot des nachts 12 uur daar op de kamer en om 12 uur gingen ze weer naar hun schuilplaats. De kapelaan bracht hun des middags het eten boven en des avonds namen ze boterhammen mede voor de volgende dag. Thé  van Beek, de knecht, en Marie (Burgers red.), het tweede meisje, zorgden voor het schoonhouden van het zoldertje en het opruimen van het vuile water, de W.C. enz. Zo bleef het doorgaan tot de bevrijding.

Bij gelegenheid van het 40-jarig priesterfeest van Pastoor Zijlmans in mei 1950 schrijft Hartog Frank het volgende:

Toen Joodse vluchtelingen aanklopten………

De nacht van 12 op 13 februari 1943 hebben we moeten vluchten vanuit Kesteren, waar we bijna ’n half jaar ondergedoken zijn geweest. Wij kwamen toen in de vroege ochtend, terwijl het nog bijna donker was, de veerman uit Ochten eruit kloppen om ons over de Waal te zetten en na herhaaldelijk geklop enz. lukte het ons hem te wekken en te bewegen ons per roeibootje de Waal over te transporteren. Om zijn gedachten af te leiden, vroegen wij hem, hoe laat wij ’s avonds terug konden komen en vertelden hem, dat wij vader moesten bezoeken, die zo ernstig ziek was.

De Waal over zijnde, zijn wij eerst naar de Pastorie in Boven-eind gegaan, die ons naar de kerk verwezen, waar we zo goed en zo kwaad als het ging, de tijd hebben doorgebracht onder de H. Mis, daar we hier natuurlijk niets van af wisten, behalve mijn vrouw, die altijd onder katholieken gewoond heeft en jaren bij de zusters op school is geweest. Daarna mochten we op de Pastorie komen, werden goed onthaald, doch ons enige dagen voorlopig houden durfde de Pastoor niet en verwees ons naar het klooster: hij zeide: “vrouwen tegenover elkaar” (bedoelde Moeder Overste en mijn vrouw), dan zou zulks wel lukken; doch daar gekomen werden wij eveneens wel vriendelijk ontvangen en onthaald, doch ons onderdak verlenen, ging ook daar niet. Moeder Overste zeide: “als Pastoor dit niet durft met 3 personen, kan ik dit toch moeilijk met 120 personen”, dus gingen wij ongetroost weer verder met een sterke wind vóór ons, ontzettend moe en hopeloos wat de toekomst ons zou brengen, n.l. het concentratiekamp of dat we nog een goed onderdak zouden kunnen vinden. Wij kwamen dan zo goed en zo kwaad als het ging in Beneden-Leeuwen, om kwart voor drieën, Zaterdags vlak voor het biechten en zeiden tegen Marie, die ons open maakte, dat wij Pastoor wel kenden, dit met het oog om een onderhoud met de Pastoor te kunnen verwachten. De Pastoor kwam in de spreekkamer en toen we vertelden dat we gevluchte joden waren enz. en vroegen om desnoods tot Maandagmorgen te mogen blijven, zeide hij direct heel spontaan: ik zal het even aan Marie vragen met het oog op het eten enz. en kwam direct terug terug, zoals we van hem gewend zijn, en zeide: ga maar mee naar boven; hij stak de verwarming aan, wees ons, om ons te verfrissen, de badkamer en we zijn daarna oververmoeid naar bed gegaan.

We waren hier natuurlijk heel goed in alle opzichten. Pastoor, Kapelaan Verwey, Anna en Marie deden voor ons wat maar enigszins in hun vermogen was. We hadden alleen nog de zorg of we ergens onderdak zouden kunnen krijgen. Pastoor en Kapelaan waren hier geregeld over aan het confereren en vroegen wij Zondags na de Hoogmis of mijnheer Pastoor niets wist voor ons in de parochie. Hij zeide toen: “jullie kunt hier blijven”. Nu, wij vlogen mijnheer Pastoor bijna aan en wisten niet wat te doen uit dankbaarheid.

Om alles neer te schrijven wat wij hier allemaal beleefd hebben in de bijna 4 jaar dat we hier geweest zijn, is natuurlijk onmogelijk en zou te veel plaats vragen. Veel angst en zorg hebben we samen doorgemaakt, doch ook veel liefs en goeds.

Nu mijnheer Pastoor zijn 40-jarig priesterfeest binnenkort hoopt te vieren en hij met voldoening op die 40 jaren mag terugblikken, kunnen we niet anders doen, als hem toewensen, dat hij onder dezelfde omstandigheden gezond naar ziel en lichaam ook nog eens  zijn gouden priesterfeest mag vieren tot zegen van geheel Beneden-Leeuwen.

H.S. FRANK

Ditte Stein wordt geboren op de dag dat Nederland capituleert. Als het gezin Stein in 1943 bericht krijgt dat ze zich in kamp Vught moeten melden, besluiten ze onder te duiken – zonder Ditte. Ditte wordt meegenomen door de huishoudster, in de hoop dat de SD het kleine meisje met rust zal laten. Hun aangenomen dochter Lotte gaat wel mee. Jaren later komt Lotte terug in het dorp waar ze opgroeide. Lotte beleeft het verleden opnieuw: de gelukkige jaren voor de oorlog, het onderduiken, maar bovenal het drama: Ditte die werd meegenomen. Een klein meisje van drie jaar, alleen naar de Schouwburg in Den Haag gebracht, met het eerstvolgende transport meegegaan naar Auschwitz en daar bij aankomst vergast. Een gebeurtenis die diepe, niet uit te wissen sporen heeft nagelaten in hun leven, niet alleen van verdriet, maar ook van schuld, onbegrip, haat en verwijdering. Monument voor het driejarige Joodse meisje Ellie Frank. De feiten: Hartog en Jacoba Frank-van Dijk, wonend te Lienden, besluiten in 1943 om onder te duiken. Hun driejarig dochtertje Ellie laten ze achter bij Judith van de Berg, de huishoudster. Hun twaalfjarige pleegdochter Elisabeth Dasberg gaat wel met hen mee. Iedereen in de omgeving weet dat Ellie een Joods meisje is, maar Hartog en Jacoba hopen dat ze met rust gelaten zal worden omdat ze nog zo jong is en niet gezond. Helaas. De burgemeester van Lienden, burgemeester Kamp, durft het niet aan om zijn mond over het Joodse meisje te houden en licht de SD in. Anderhalve week nadat Ellie bij Judith van de Berg gekomen is, wordt ze opgehaald en naar Den Haag gebracht. Vandaar naar Westerbork, waar ze met het eerstvolgende transport naar Auschwitz is gebracht. Daar is ze onmiddellijk na aankomst vergast. Andere tijden maakte naar aanleiding van deze gebeurtenissen een indrukwekkende documentaire, getiteld De andere familie Frank. Deze film is meer dan 700.000 maal gekeken en is nog steeds te zien. De persoonsnamen in Het meisje dat verdween zijn fictief. De roman bevat foto´s en originele documenten.

1 beoordeling voor Het meisje dat verdween

  1. 4 van 5

    Een mooi, aangrijpend boek. Je kunt je goed inleven in de hoofdpersonen.

Een beoordeling toevoegen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Recensie(s)

Op ware feiten gebaseerde roman met twee verhaallijnen. Een joods echtpaar in de Betuwe duikt in 1943 onder met hun pleegdochter, maar laat hun eigen driejarig dochtertje achter onder de hoede van een dienstmeisje. Dit in de hoop dat de Sicherheitsdienst haar met rust zal laten omdat ze nog zo klein is. Het tegendeel blijkt waar: de burgemeester maakt de SD al na een paar dagen attent op de aanwezigheid van het kindje. Het wordt onmiddellijk afgevoerd naar Westerbork en vervolgens met het eerste transport naar Auschwitz, waar ze direct na aankomst wordt vergast. De andere verhaallijn is die van de pleegdochter, die onderduikt zonder te weten dat het dochtertje wordt achtergelaten. Haar verhaal gaat over de afschuwelijke onderduikperiode, de onzekerheid over het lot van het kindje, de onmacht er met elkaar over te praten, haar eenzaamheid als puber en hoe ze lang na de oorlog teruggaat naar het dorp in de hoop nog sporen/verhalen te vinden. De ware feiten staan achterin het boek vermeld. Dat maakt deze indringend geschreven roman nog aangrijpender. Aanvankelijk vlak, allengs zeer indringend geschreven; de verhaallijn van het kleine meisje is cursief gezet. Kleine druk.

M.G. van Mourik

http://www.rd.nl/boeken/els-florijn-wint-christelijke-publieksprijs-1.606947

http://www.rd.nl/boeken/roman-els-florijn-weerloos-tussen-wolven-1.242728

http://www.rd.nl/boeken/kopstukken-uit-de-christelijke-literatuur-1.283377