Verwachting

Als ieder jaar hunker ik halverwege de zomer al naar de herfst. Waar anderen genieten van liggen in de zon, korte mouwen en strand, houd ik van een bolle herfstwind, natte bladeren tegen het raam, de weergaloze kleuren van de bomen, zelfs van de regen die druilerig en grauw naar beneden kan miezeren. Af en toe doe ik nog wel eens wat ik als student regelmatig deed: langs de Utrechtse grachten lopen in de regen, en daarna met aan je gezicht geplakte haren en druppels die langs je ruggengraat glijden, een kop chocolademelk nemen bij een café. Dit is de herfst, dit zijn de mooiste maanden, dichtte Jean Pierre Rawie, mijn favoriete dichter.
Misschien houd ik zo van de herfst omdat het bij mij eeuwigheidsperspectief oproept. Er is iets in mij dat vol verwachting verlangt naar de herfst van het leven, naar meer weten, meer begrijpen, groter geheimenis, dichter bij het mysterie.
Nu zijn de meeste verwachtingen in dit leven slechts in de kern teleurstellingen, daar ben ik mij van bewust. Soms spreek ik mijzelf dan ook bestraffend toe dat het de kunst is om niet te veel vooruit te kijken, te genieten van dagen die ik nu heb.
Maar soms mag ik me laten gaan, omdat er ook iets troostrijks is in het verlangen zelf. Benen opgetrokken op de bank, af en toe naar buiten kijkend waar de bomen in onze straat vlammend gekleurd zijn, een dichtbundel of een mooi boek, zo verlies ik mij af en toe in mijmeringen die heimwee naar de herfst in zich bergen.
Niemand kan verlangen zo onnavolgbaar verwoorden als Jean Pierre Rawie. In het gedicht Ten leste eindigt hij met woorden vol verwachting:
Wij hebben alles nog te goed,
wat ons dit leven heeft ontnomen:
uit welke verten ook, wij komen,
elkaar ten leste tegemoet.