Eén van de planken in mijn boekenkast is een Speciale Plank. Daar staan de Sta-exemplaren van de mooiste boeken. Meestal betreft het gesigneerde exemplaren waar ik erg zuinig op ben, eerste drukken, heel mooie uitgaven of bijna uit elkaar vallende boeken, die ik zo gewaardeerd heb dat ik ze een rustige oude dag gun.
Sta-exemplaren, zult u denken, zijn er nog meer exemplaren dan? Jazeker. Dat zijn de Lees-exemplaren. Ik vind het prettig als daarbij ook voorzichtigheid betracht wordt als ze gelezen worden, maar die zijn om te Lezen en niet alleen om te Staan. De aanwezigheid van de Sta-exemplaren verschaft mij al voldoende genoegen. En wil ik de boeken lezen? Dan heb ik het Lees-exemplaar.
Mijn echtgenoot vindt het grote onzin. Nadat ik hem een keer betrapte met een Sta-exemplaar half dubbelgevouwen in zijn hand, en vervolgens furieus liet weten dat hij het Lees-exemplaar maar moest nemen en dat geen enkel boek het leuk vindt om dubbelgevouwen te worden, blijft hij schimpen op mijn Speciale Plank. Zijn argument: boeken zijn er om gelezen te worden.
Niet onwaar, natuurlijk. Dat geef ik toe. Het is een beetje gek. Ik heb wat vreemde trekjes als het om boeken gaat. Ik heb in de loop der jaren een bijzonder innige band opgebouwd met bepaalde boeken. Ze voelen aan als goede vrienden, en op goede vrienden moet je zuinig zijn.
En blijkbaar is het aanstekelijk. Mijn kleine zoon heeft zijn kinderbijbel in zijn zeer jonge jaren niet erg zachtzinnig behandeld: er zijn bladen gescheurd, door mij geplakt, weer gescheurd en het geheel ligt volledig uit de band.
Onlangs kregen we van kennissen een nieuw exemplaar van dezelfde kinderbijbel. Mijn zoontje zag nauwlettend toe hoe ik dit glimmende, nieuwe exemplaar van zijn kinderbijbel in de kast zette. „Zo,” zei hij, nadat hij met zijn handen op zijn rug het allemaal aangekeken had. „Nou, die blijft daar maar mooi staan, hoor. Anders gaat deze óók kapot.”
Juist. Helemaal mee eens, kleine zoon van mij.