Bij sommige boeken heb je een geweldige leeservaring. Ik kan me van een aantal boeken van vroeger herinneren dat ik ademloos bladzij na bladzij verslond en het gevoel had dat de wereld anders was toen ik het boek uit had.

Je moet dat gevoel koesteren, heb ik gemerkt. Toen ik een jaar of acht was, las ik ”De vloek van Woestewolf” van Paul Biegel. Wat vond ik dat een geweldig boek! Spannend, zo spannend dat ik het boek niet wilde wegleggen voor ik het uit had, en stiekem ’s avonds in bed met een klein lampje lag te lezen.
Een paar jaar geleden kocht ik het boek en besloot het nog eens te lezen. Wat viel dat tegen… niets meer te merken van de euforie die ik jaren geleden had ervaren. Een goed geschreven kinderboek, jawel, maar niets meer.
Logisch, dacht ik, ik was kind toen ik het las.

Maar ik ben er afgelopen weekend achter gekomen dat dat niet helemaal opgaat. Ik had, bij gebrek aan een nog niet gelezen boek, een oude uit de boekenkast gepakt: ”Sil de strandjutter”, van Cor Bruijn.
Ook een boek waar ik, zij het opnieuw jaren geleden, zo in op ben gegaan dat ik de wereld om me heen vergat.
Ik zal niet zeggen dat het tegenviel. Ik heb het boek opnieuw met plezier uitgelezen. Maar de glans, het speciale, was verdwenen.

Ik heb nog een aantal van die boeken, waar een leeservaring aan kleeft die ik me nog goed herinner. Voorlopig blijven ze stil in mijn boekenkast staan. Als ik dan langsloop en de kaften zie, denk ik alleen maar aan dat geweldige leesmoment, en niet aan de lichtelijke desillusie van jaren later. Blijkbaar zijn die ademloze leeservaringen maar één keer per boek. En dus moet je ze koesteren.