Toen ik pasgeleden in een klas waar ik les aan gaf, vroeg hoeveel kinderen er wel eens een boek lezen (buiten de verplichte schoolkost) was het aantal vingers dat omhoog ging schokkend laag. Meer dan de helft las thuis nooit een boek.
Ongeveer een kwart las wel eens een boek, en een kwart las geregeld een boek. Er waren, van dat laatste kwart, slechts drie leerlingen die meerdere boeken per week lazen.
Mijn gedachten gingen terug naar de tijd dat ik op de basisschool en de middelbare school zat. Ik las bijna elke dag een boek, en ’s zaterdags één dikke of twee van wat bescheidener formaat. Dat is veel, dat weet ik wel. Maar helemaal géén? Of maar af en toe een boek?
Ik zou me ongelooflijk verveeld hebben.
Daarom stelde ik ook, vanuit de volheid van mijn gemoed, de vraag: „Maar wat doen jullie dán al die tijd?”
Ik had het natuurlijk kunnen weten. Termen waar ik in mijn jeugd (en zó oud ben ik nu ook weer niet) nog nooit van gehoord had, vlogen om mijn oren: gameboy, play station, dvd, chatten, en nog wat van zulk soort terminologie.
Hou maar op. Voor mij kan niets van al dat alles op tegen een goed boek. In stilte, het liefst, benen opgetrokken op de bank, opgaan in een wereld waarbij je fantasie nodig hebt. Want, zoals Ida Gerhardt zegt:
„Dit wordt ons nooit ontnomen: lezen,
en ademloos het blad omslaan,
ver van de dagelijksheid vandaan.
Die lezen mogen eenzaam wezen.
Zij waren het van kind af aan.”
Dat is de prettigste vorm van eenzaamheid die ik ken: samen met een boek.