Kent u ’m, het bizarre verhaal ”De bibliotheek van Babel” van de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges? Ik heb het pasgeleden gelezen.
De bibliotheek die Borges beschrijft, bevat precies 25 tot de macht 1.312.000 boeken. Om het wat helderder te vatten: alle boeken die ooit geschreven zijn.
De bibliotheek heeft een vreemde structuur. Ze is opgebouwd uit een groot aantal zeshoekige galerijen –misschien wel oneindig veel– waarvan het middelpunt in elke zeshoek kan liggen. De rand van de bibliotheek blijft onbereikbaar.
Kunt u zich er iets bij voorstellen? Eindeloze boekenkasten, waarmee Borges, dat las ik er tenminste in, het begrip oneindigheid en misschien wel zijn idee van een God probeert te visualiseren door middel van een allesomvattende bibliotheek. Over bijna alle zinnen die Borges in dit verhaal schrijft, kun je je hoofd breken. Wat bedoelt hij bijvoorbeeld met: „In the hallway there is a mirror which faithfully duplicates all appearances. Men usually infer from this mirror that the Library is not infinite (if it really were, why this illusory duplication?)”
Ik heb een avond lang over de bedoeling van deze en andere zinnen nagedacht. Toen ik naar bed ging, was ik er nog niet uit.
Die nacht schrok ik met een schok wakker. Ik had gedroomd dat ik langs al die hexagrammen dwaalde als door een eeuwigheid: er kwam geen einde aan, nergens was een begin, achter elk boek waren andere boeken en achter elke kast andere kasten.
Er was geen uitgang. Geen mens.
Sorry, Borges. Hoe fascinerend ik je verhaal ook vind: voor mij geen oneindige bibliotheek met alle boeken van de wereld.